BETJE.

Neem mij niet kwalijk, lieve Bet!
Dat ’k u eens ernstig onderhoude
En vlak de waarheid zegge, net
Als ik ’t mijn eigen dochter zoude.

In de eerste plaats, mijn lieve kind!
Gij moet zoo dol oprecht niet wezen.
Wat gij gevoelt, bedoelt, bevindt
Is daadlijk in uw oog te lezen!

Ei, waarom veinst gij nooit eens wat?
Bescheiden zijn is ongenoegzaam;
Het veinzen — zondig dunkt n dat…
Maar, Betjen! ieder acht het voegzaam.

Die ’t recht verstaat, met mond en kaak
Dien acht men overal verstandig;
Hij heeft gemak, die groote zaak!
Een flapuit is verbaasd onhandig.

Dus, meisje! ’k smeek u als een gunst,
Leer met bevalligheid wat liegen;
En zoekt gij ’t toppunt van de kunst,
Leer bovenal uzelv’ bedriegen.

Ten tweede: Gij schijnt zeer gezind
Uw tijd voor kennis uit te geven;
Gij wilt wat weten. Lieve kind!
Zij weet genoeg, die „weet te leven.”

Het praten, zeker, hoort daarbij,
Het aardig over alles praten;
Maar die veel weet, spreekt minder vrij
Of ziet zich als een wijsneus haten,

Gij leest Fransch, Duitsch: dat ’s naar mijn wil;
Vooral toch Engelsch, moet ik hopen!
„Ook Hollandsch”.… Schepsel, houd u stil!
Gij zoudt het met uw eer bekoopen.

Maar wáárom leest gij? Dat ’s de zaak,
Daar ’t al op aan komt; om te lezen?
„Neen, tot mijn stichting, nut, vermaak”…
Ik dacht wel dat het mis zou wezen.

De Bijbel is uw liefste boek,
Hetgeen ik voor alsnog niet lake;
Zoo slechts het daaglijksch onderzoek
Der Schrift u tot geen dweepster make.

Gij gaat getrouw ter kerk. Zeer goed!
Maar Waarom, tegen aller wenschen,
Zet ge op de bals geen enklen voet?
Men ziet ook daar zijn evenmenschen.

En ook laat ge u geen lidmaatschap
Van comité-tjes welgevallen:
Melieve, nu nog mooier grap!
Die niet naar ’t bal gaan, doen dat allen.

Hoor kind! uw keus moet duidlijk zijn:
Verlicht godsdienstig, zoo als wij zijn;
Of wel, ten eenenmale fijn:
Maar daar moet dan wat extra’s bij zijn

 In zang en toonkunst neemt gij les,
En schijnt in beide wel te slagen,
Maar zijt verschriklijk ouderwetsch
In ’t plaatsen van uw welbehagen.

Gij hebt, naar ’t schijnt, noch oor noch hart
Voor schitterende meesterstukken,
Die drok en dol zijn en verward,
Maar die men aanhoort niet verrukken.

Beethoven, Mozart, Haendel, Bach,
Ziedaar de lui, die gij blijft roemen;
Maar dat is, als ik ’t zeggen mag,
De sterren prijzen en de bloemen.

Soms zien wij u, bij avondstond
Voor ’t open venster neergezeten.
Een zachten glimlach om den mond,
Het wereldsche gewoel vergeten;

En somtijds weer, voor dag en dauw,
Tot stichting zeker van de boeren,
Mooi blootgesteld aan de ochtendkou,
Uw duiven en uw kippen voeren.

Of, op een ongelegen tijd,
In eenzaamheid door ’t hakhout dolen,
Waar gij uw kostlijke aandacht wijdt
Aan bloeiend onkruid en violen.

Beken het maar! Is ’t waar of niet,
Dat vaak, als alles reeds ter rust is,
Het staren in het bruin verschiet
Der breede lanen nog uw lust is,

En ’t opzien naar het stil gewelf,
Waar, langs de maan, de wolkjes drijven,
U dikwijls noopt, ondanks u zelf,
Nog uren op ’t balkon te blijven?

„Dan,” zegt gij, „hoort uw hart een stem,
Door ’t zinlijk oor niet op te vangen,
Die duidlijk tot u spreekt van Hem,
Wien de englen eeren met gezangen;

Wien gij gedenkt met diep ontzag,
En dankt met innig zielsverrukken,
Omdat het u gebeuren mag
Den dorpel van zijn Huis te drukken!”…

Zoo zijt gij beurtlings, beste meid!
Wat ernstig, of wat kinderachtig.
Het eerste is overdrevenheid,
En ’t andre, schaap! verveelt ons krachtig.

De wereld is zoo als zij is;
Men moet wat nemen en wat geven,
En zonder erg of ergernis,
Zoo leven als men haar ziet leven.

De kronkelbeek, die kalm en zacht
Haar weg zoekt met bescheiden bruisen,
Wat is zij, bij de fraaie gracht,
Op peil gehouden door haar sluizen?

Het bijtje, hoe tevreden ’t zij
In zijn eenvoudig, stil, bedrijfje.
Haalt immers niet in waarde bij
Een wesp met ingeregen lijfje?

Maar gij vergaapt u aan den schijn
„En leeft bij veel te hooge zaken,
Die mooi en goed en kostlijk zijn,
Maar al te slechte reekning maken.

Ik hoorde soms, in ’t diepst van ’t woud,
Een vogel zingen, luide en blijde;
Ik vond, verscholen onder ’t hout,
Een geurig bloempje, zacht als zijde;

Ik zag een bron, vol, klaar, en frisch.
Ontspringen op een eenzaam plekje;
En zie daarin uw beeltenis…
Maar wie zijn schuld is ’t, zedig bekje?

* Vergelijk JUSTE OLIVIER, Clairette.


Ingezonden op: 19 July 2001