SLECHTS NE TAAK.

De bloempjes kusten haar den voet
Wanneer zij trad door t veld;
De leeuwrik zong haar in t gemoet,
Al heeft zij t nooit verteld.

Zacht streelde t windje haar de kin,
En beefde om t stout bestaan;
Het beekje hield zijn murmlen in,
En s dichters luit sloeg aan.

Het bijtje hield een gansche poos
Zich op zijn vlerkjes op,
En nam haar mondje voor een roos;
Maar t was een rozeknop.

Uit haar bruine oogen straalde een vonk
Zoo liefdrijk, rein, en zacht
Die in de stugste harten zonk
Met onweerstaanbre kracht.

Het best je sloeg van t spinnewiel
Met vochtig oog haar ga
En sprak: Zie daar een vrome ziel!
En keek haar lang nog na.

De boersche kindren staakten t spel,
En Trijntje zei tot Jan:
Zag jij die mooie jufter wel?
Wat keek ze ons vrindlijk an.

En menig, menig edel hart
Dacht: waren wij gepaard
Ik weet wel wie gelukkig werd!
Maar ik ben U niet waard.

Doch huwen was de laatse zaak,
Waarop haar zieltje zon;
Een kranke Moeder was haar taak.
Die haar niet missen kon.

Een moeder, aan wier bed zij zat,
Zoo menig dag en week;
Haar volgde zij van bad tot bad,
Van wereldstreek tot streek.

Ach, beeldschoon kind! altijd vervuld
Van t geen uw plicht gebood,
Gij waart een engel van geduld,
En uwe trouw was groot.

Vergeefs. Geen kruid, geen bad, geen lucht,
En zelfs uw liefde niet,
Heeft ter genezing k1acht of vrucht,
Als gij met tranen ziet.

Zoo sleet zij jaren achtereen,
Haar frissche jeugd vervloog
Maar werd nog schooner dan voorheen,
In elks eerbiedig oog.

t Kan wezen dat haar lief gezicht
Wat bleek, wat smaller werd,
Maar t blonk te meer van t heerlijk licht,
Dat voortkwam uit haar hart.

Wat is de heldre blos der jeugd,
Wat s levens dageraad.
Bij t geen een lang beproefde deugd
Prent op een schoon gelaat?

Bij wat zij om den lieven mond,
Op t effen voorhoofd schrijft
Van wie in God steeds sterkte vond,
En op Hem hopen blijft?

Bij t geen er hemelsch blinken gaat
In t oog, dat, onbewolkt,
In dienst der rijkste liefde staat,
En haar getrouw vertolkt;

Vertolkt, hetzij ze dient of troost,
Hetzij ze draagt of lijdt,
Of dringend bidt, of vleiend koost,
Of dankbaar zich verblijdt?

Maar eindlijk is haar taak volbracht,
En t laatste werk verricht;
De trouwe dochterhand drukt zacht
Haar moeders oogen dicht.

Nu reikt zij dan die dierbre hand
Een langbeproefden vrind,
En knoopt den liefelijken band,
Die harten samenbindt.

Verbeven blinkt de huwlijkskroon
Op t godgevallig hoofd;
En t blosje ontgloeit weer op haar koon,
Slechts voor een tijd verdoofd.

De aandoenlijke ernst van t zacht gezicht
Ontplooit zich tot een lach,
Waar al het stil geluk uit licht
Van dezen huwlijksdag.

o Trouwe Dochter, thans geheel
Uw Eega toegewijd,
Nog schooner roeping is uw deel,
En die gij waardig zijt!

Wat zult gij, na een weinig pijn,
Uw liefde telt die licht
Een trouwe en teedre Moeder zijn
Van een bekoorlijk wicht!

Dat kind vergelde u, rijk en mild,
Uw kinderlijke deugd
En alles wat gij t wezen wilt,
Door de eerste moedervreugd!

Gij smaakt die; ziet uw zuigling aan,
Hoe bleek wordt mond en kaak!
Gij sluit uw oogen t Is gedaan
Gij hadt slechts ne taak


Ingezonden op: 19 July 2001