VIJFTAL GEWIJDE LIEDEREN.

IV.

LOFLIED.

(Naar TERSTEEGEN.)

Looft allen, looft Gods grooten Zoon,
Door hem verloste zielen!
Komt samen voor den hoogen troon
Des Overwinnaars knielen!
Prijs, lof, eer, dank, kracht, wijsheid, macht
Zij aan t geslachte Lam gebracht.

Wij moesten t licht van Gods gelaat,
Zijn gunst en leven derven;
Verzegeld was ons Godes raad,
Verzegeld zevenwerven.
Geen engel, die dien raad ontsloot;
Alleen het Lam, Gods Gunstgenoot.

De hoogste Geesten al te gaar
Voor hem de knien buigen;
Der Englen millioenen-schaar
Doet Hij aanbiddend juichen;
AI t schepsel roept met ne stem:
Lof, prijs, macht, wijsheid, eer zij Hem!

De Aartsvaders van den ouden tijd
Begroeten hun Verlangen;
De schare der Profeten wijdt
Hem nieuwe lofgezangen;
De Apostlen roepen, hoog en luid,
t Hozanna met ons, kindren, uit.

De Martlaarschap, met gouden kroon.
Schudt hem de groene palmen;
Bekranste maagden, rein en schoon,
Verheffen bruiloftspsalmen.
Daar is n stem in elks gemoed:
Gij kocht ons Gode met uw bloed!

De Zwervers door de woestenij
Zijn vroolijk aangekomen;
Zij juublen met de ontelbre rij
Door kruis beproefde vromen.
Gij, aller Liefde en Kracht en Lust,
Gij waart hun Zege, en zijt hun Rust!

En zou op aarde uw volk dan ooit
Van uwe liefde zwijgen?
Neen, dankbaar doet het, schoon verstrooid,
Zijn halleluja stijgen,
Eens wordt het juichend saamgebracht
Uit elke natie, elk geslacht.

Hoe zal t ons zijn, wanneer wij daar
Van al uw trouw gewagen:
Hoe Ge ons gezocht hebt, wonderbaar,
Gevonden, en gedragen?
Waar aller harp vereenigd klinkt,
En elk zijn eigen danklied zingt.


Ingezonden op: 19 July 2001