JAN JANSZEN.

Eer brengt een arme Vader met vreugd zes kindren groot,
Dan dat zes rijke kinderen hem koestren in den nood.

Jan Janszen had gehamerd, gezaagd, geboord, geschaafd,
Bij dag en nacht gezorgd, gezweet, geploegd, gezwoegd, geslaafd;

Zijn wijfje wist van sparen en zuinig overleg;
Zoo brachten zij zes kindren groot, en legden nog wat weg.

De zonen kregen vrouwen, de dochtren kregen mans.
Geen vader was gelukkiger of rijker dan Jan Jansz.

Jan Janszens haar werd grijzer, maar dat was niemendal ,
Maar hij verloor zijn brave vrouw, dat was een treurgeval;

Maar hij verloor zijn wijfje, dat was een bitter kruis;
Daar zat hij oud en eenzaam neer in ’t uitgestorven huis.

Daar zat hij, oud en eenzaam, te suffen bij den haard;
En menig, menig dikke traan  rolde in zijn grijzen baard.

Daar zat hij, oud en eenzaam, en sloeg zich voor den kop:
„Och, dat hij maar wat jonger waar, hij nam het werk weer op!”

Hij zat zoo lang te peinzen in doffe mijmerij;
Zoo mager werd hij als een hout, en zag den dood nabij.

Zijn kindren kwamen dikwijls en aten aan zijn disch;
Maar dubbel woog hem de eenzaamheid na korte lafenis.

„Kom,” sprak hij, „’k heb drie zonen, en elk zijn huisgezin;
„Kom, ik verkoop mijn have en goed, en woon bij d’ oudsten in.”

Jan Jansz verkocht zijn boeltjen, en deelde met zijn kroost.
„Vriend!” sprak hij tot zijn oudsten zoon, „ik zoek bij u mijn troost.”

’t Ging goed in de eerste weken, wat minder op den duur:
En eer het jaar verstreken was, kwam menig moeilijk uur.

En op een vroegen morgen, riep zoonlief vroolijk uit:
„Heeft vader niets gehoord vannacht? Ik kreeg een jonge spruit.”

En eer nog de avond daalde, sprak hij zijn vader aan:
„Hoor vader, waar uw armstoel stond, moet nu het wiegje staan.

Wij wonen wat bekrompen, en in een klein bestek:
Gij moest bij broeder Gerrit gaan, die heeft een groot vertrek.”

Jan Janszen zuchtte in stilte; Jan Janszen zei: „Heel goed!”
Dies trok hij naar den tweeden zoon, en schepte nieuwen moed.

’t Ging best in de eerste dagen, in de eerste maand misschien;
Maar eer ’t een halfjaar verder was, had vader ’t al gezien!

En op een kouden avond, daar hoorde de oude man:
„Gij stookt den kachel veel te heet; ik krijg er hoofdpijn van.

Maar warmte hebt gij noodig; welnu, ik weet goed raad;
Uw derde zoon is bakker, best dat gij daar wonen gaat.”

Jan Janszen zuchtte in stilte; Jan Janszen zei: „Heel goed!”
Dus trok hij naar zijn derden zoon, maar met een droef gemoed.

’t Ging heerlijk de eerste dagen; ’t ging goed een week of wat;
Maar eer ’t drie maanden verder was, was hem de bakker zat.

En op een schoonen morgen, sprak hij zijn huisvrouw aan.
Daar vader in den leunstoel zat, zoodat hij ’t kon verstaan:

„Eens bakkers huis, lief wijfjen! is net een duiventil;
Een ieder loopt er in en uit, en vader houdt van stil;

Ik wil den man niet jagen, maar beter leek hem wis
Het stille huis van Leentje-zus, dat op den stadsmuur is.”

Jan Janszen zuchtte in stilte: „Maar”, dacht hij: „’t is ook waar
Een dochter hangt veel teerder aan; veel beter ben ik daar.”

En in.’t begin van ’t. tweede, daar kwam de schoonzoon aan,
En zei: „Hoe graag ik vader hield, ’t is niet om uit te staan!

Mijn vrouw sterft duizend dooden, als zij haars vaders stap,
Bij uitgang of bij thuiskomst, hoort op deze steile trap.

Zij zegt wel duizend malen: De man zou denken dat
Hij ons te veel was; ver van daar: maar anders, weetje wat?

Hij moest bij Betje wonen; die is nog wel jaloersch
Dat vader ons gekozen heeft; daar woont hij gelijkvloers.”

Jan Janszen dacht: „Mijn Leent je, die meent het zeker goed,
En Betjen is jaloersch! Kom aan, dat geeft een burger moed.”

’t Ging extra, de eerste dagen; ’t ging goed, een langen tijd;
Toen ging ook Betjes teeder hart  Zijn eerste warmte kwijt.

„Och vader, lieve vader! dat booze rheumatiek!
Ik vrees het aan mijn huisje ligt; gij zijt hier altijd ziek.

Wou Grietjes man u hebben, dat was zoo mooi als ’t kon!
Haar huisje, dat bij ’t kerkhof staat, heeft altoos lucht en zon.”

Jan Janszen dacht: „Mijn Betje heeft gansch geen ongelijk.”
Dus nam hij met een hoopvol hart bij Grietjes man de wijk.

Hij was in ’t kurkdroog huisje geheel op zijn gemak.
Doodgraver was zijn Grietjes man; dat was geen vroolijk vak.

’t Ging goed in de eerste dagen; maar, na een week of wat:
„Grootvader!” zei het jongste kind. daar ’t op zijn knieën zat:

„Weet u wat Leenmoei zeide, toen zij bij Moeder was?
Dat u geen kamer beter leek dan onder ’t groene gras;

Een kamer zooals Vader er daaglijks maakt en sluit”.…
„Kind!” ri~e Jan Janszen, zuchtte diep, en — blies den adem uit.

Straks maakt de man van Grietje zijn kamertje gereed.
Nu komen al de kindren op, in ’t effen zwarte kleed.

Jan Janszen wordt begraven met plechtig rowmisbaar;
En op zijn grafsteen staat: HIER RUST.… En dat is dan ook waar.

Eer brengt een arme vader, met vreugd, zes kindren groot,
Dan dat zes rijke kinderen hem koestren in zijn nood.


Ingezonden op: 19 July 2001