MIJN ROOS.

Ik ken, ik heb een frissche Roos,
Maar zonder steel of blaren;
Zij bloeit voor mij geen korte poos,
Maar nu reeds vijftien jaren.

Reeds vijftien jaren bloeit zij mij,
Bij dagen en bij nachten,
En stoort zich aan geen jaargetij,
Aan sneeuw noch hageljachten.

Geen sneeuw of hagel, die haar stoort;
En. hoe de zon mag steken,
Zij bloost en bloeit onkwetsbaar voort,
En weet van geen verbleeken.

Indien zij van verbleeken wist,
Zoo haar mijn oogen zagen
Betrokken met een valen mist
Hoe zoude ik dat verdragen’?

Verdragen zoude ik eerder dat,
Waar ik mijn oogen wendde,
Mijn voetpad niets dan dorens had,
Dan dorens van ellende.

Geen dorens hebt ge, o Roos zoo zacht
Als zacht fluweel en zijde!
Hoe zedig gloeit, hoe vriendlijk lacht
Uw blosje t’ allen tijde.

o Gloei en bloei mijn leven lang!
Laat niets uw glans verminderen…

Ik meen de Roos op moeders wang.
Gij raadt het, lieve kinderen.


Ingezonden op: 19 July 2001