MORGENWEKKER.

(NAAR LONGFELLO\V.)

Een wind kwam op uit d’ oceaan,
„Gij neevlen!” riep hij, „maakt ruim baan!”

Hij praaide ’t schip en sprak: „Zeil voort!
De nacht is om; de dagtoorts gloort.”

Hij haastte zich tot strand en kust,
En riep: „’t Is dag! verlaat uw rust.”

„Juich!” hief hij luidkeels aan in ’t bosch:
„Rol al uw loofbanieren los!”

Hij stoorde ’t vogeltje op zijn nest:
„Ontwaak, mijn zanger! zing uw best!”

En op de werf: „O Kanteklaar!
Steek uw bazuin; de dag is daar.”

In ’t koren ging hij momm’lend rond:
„Buig neer! begroet den morgenstond.”

En gierend door den kranken muur:
„Ontwaak, o klok! verkondig ’t uur.”

Ook sloop hij door de kerkhofpoort,
Maar fluisterde: „Nog niet! Slaapt voort,”


Ingezonden op: 19 July 2001