NIEUWE WONING.

(UTRECHT. BOOTHSTRAAT, 597.)

Hier woon ik. Zult gij met mij wonen,
Mijn God en Heer, mijn kracht en troost?
Hier woon ik nu met gade en kroost,
Vier dochters en drie zonen.

Uw liefdezorg heeft mij beschoren
Dit goede, ruime, stille huis,
Waar k, in de stad, het stadsgedruisch
Kan, maar niet hoef te hooren.

Uw goedbeid gunt, na dertien jaren
Zoo vreedzaam doorgebracht op t land.
 Ook hier mijn oog naaar elk en kant
In t zachte groen te staren.

Heb dank, o God! mijn wenschen bleven
U niet verborgen, schoon gesmoord.
Een stille wensch wordt ook verhoord.
Wat zijt Gij mild in t geven.

Wil met uw vleuglen nu ook dekken
De tente, waar uw hand ons bracht,
En laat uw liefdrijke oppermacht
Ons vol vertrouwen wekken!

Weer ziekte en ramp van onzen drempel;
En, komt zij, heilig ook de smart;
Zij onze woning, zij ons hart
U daaglijks meer tot tempel!

4 Aug. 1854.


Ingezonden op: 19 July 2001