De omstandigheden, waaronder het volgende liedje verbeeldt afgeluisterd te zijn, waren de volgende:
    Toen ik in 1854 mijn dorp met de stad Utrecht ging verwisselen,
kon ik aldaar voor de eerste twee maanden van mijn verblijf nog geen huis vinden, maar werd met mijne vrouw en de drie jongste kinderen bij hartelijke vrienden geherbergd. Van het overige viertal waren wij gescheiden. Mijn oudste zonen bleven, onder opzicht van hunnen onderwijzer, op de Heemsteedsche pastorie, van de liefde mijner vorige gemeente omringd. Twee dochtertjes genoten achtervolgens te Zeist, te Driebergen, en te Ede, op buitengoederen van nabestaanden en vrienden een onthaal, waarvoor mijn hart hun dankbaar blijft.


DE STICHTSCHE ZWERFSTER.

EEN LIEDJE, GEZONGEN TER BRUILOFTSTAFEL VAN EENE SCHOONZUSTER.

Ik hoorde een liedjen in het Sticht,
’t Werd dnor een hupscbe vrouw gezongen;
Zij hield np d’ arm- een zuigend wicht-;
Een dikken vetten jongen.

Twee meisjes speelden aan baar schoot,
En luisterd~n naar haar mamaatje :
’t Een leek een roosje rozerood,
Het andere een agaatje.

Ook was de roos op moeders wang
Bijlang nog niet van kleur verschoten,
Al kwam er onder haar gezang,
Een traantje langs gevloten.

„Ach kindren!” zong zij: „welk een smart!
„Wie had het immer durven droomen ?
„Uw vader heeft een steenen hart;
„Zijn wreedheid is volkomen.

„Hij heeft mij uit dat lieflijk oord,
„Waarin wij woonden, sinds wij trouwden,
„Zoo vreedzaam en zoo ongestoord,
„Alsof we er sterven zouden;

„Hij heeft mij uit dat dierbaar huis,
„Waar ik hem al zijn kindren baarde,
„Verraderlijk ontvoerd, o kruis !
„En ’k zwerf en dool op aarde.

„Ik zwerf in dit mij vreemd gewest,
„’k Dool in dees vreemde stad wanhopend,
„Daar mij geen andre toevlucht rest
„Dan vreemde liefde me opent.

„Nog ware ’t mij een zoete troost,
„Indien ik bij dit ommezweven,
„Omringd mocht zijn van al mijn kroost,
„Dat leven van mijn leven.

„Maar ach, niet meer dan deze drie
„Liet de onverbidbre kinderroover”
(Zij trok ze dichter bij haar knie)
„Mij in mijn droefheid over.

„Mijn oudste twee, mijn zoons, mijn trots,
„Laat hij in ’t ledig huis verknijzen ;
„Zij zwerven om langs Meer en Bosch
„Om lafenis en spijzen.

„Uw zusjes, foei! de wreedaard joeg
„Ze ’t pad maar op met leege handen;
„Zij waren nimmer ver genoeg,
„Tot ze op de hei belandden.

„Dat had bij Koosje niet voorspeld,
„Toen ze, één jaar oud, reeds weggedwaald was,
„En hij mij zoo lang heeft gekweld
„Tot ’t schaap weer thuisgehaald was.

„Daar was ze! Och arme! welk een vloed
„Van woorden, rijmen, tranen, kussen!
„Alsof bij ze in zijn diepst gemoed
„Beminde… En ondertusschen!

„Neen, kindren! neen, hij mint u niet;
„Hij kan uw bijzijn niet verdragen ;
„Het eenigst dat hem vreugde biedt
„Is u en mij te plagen.

„Wat let hem, zuigling! die uw dorst
„Moet lesscben met vergalde togen,
„Dat hij u afrukt van mijn borst,
„En wegvoert uit mijn oogen?

„U wegvoert, ach! wie weet waarheen?
„Ten prooi aan duizend ongelukken,
„Om, voor de moederlijke speen,
„Een koude flesch te drukken…”

Hier zweeg zij stil en wischte een traan,
Zag strak en somber voor zich henen,
En toen de kleine agaatroos aan;
Dit deed op nieuw haar weenen.

„Ja vloei vrij, zilte traanstroom, vloei!
„Daar ik dit wichtje kom te aanschouwen:
„Gaat niet haar lieve Petemoei,
„Mijn liefste zuster, trouwen?

„Men knoopt haar groene palm; men breit
„Een aardig kransje voor haar vlechten;
„Maar d’ oudste zuster is ’t ontzeid
„Het op haar kruin te hechten.

„Voor mij geen bruid, geen bruiloft, neen!
„Geen plaats.jen in de blijde reien;
„Mijn heer en meester gaat er heen,
„Maar ik mag zitten schreien!

„Zoo hij zich maar belasten wou
„Der lieve bruid mijn groet te brengen,
„En van wat ik haar zeggen zou
„In ’t zijne een woord te mengen!

„Ik heb haar steeds zoo lief gehad
„En voel die liefde sterk vermeeren,
„Hoe meer ik, op mijn levenspad,
„Haar bijzijn moet ontberen.

„Haar vreugde was mijn eigen vreugd,
„Haar smart altijd mijn eigen smarte;
„Hoe juichte ik in de stille deugd
„Van dat gelouterd harte!

„Hoe juichte ik in dat zacht geduld,
„Dat, onbezweken godsvertrouwen!
„Thans wordt haar liefste wensch vervuld:
„Och, mocht mijn oog ’t aanschouwen!

„Mocht ik maar eens dat blijd gezicht
„Zich aan des bruigoms zijde pralen,
„En blinken van dat lieflijk licht,
„Dat bruiden pleegt te omstralen!

„.Zoo ’k slechts tot een, een enklen zoen
„Haar eens recht zusterlijk omarmde…
„Mijn heer gemaal zal ’t nu wel doen.
„Maar kan hij ’t met die warmte?

„Och lieve zuster, lieve bruid,
„Och lieve dochter van mijn moeder!
„Mijn hart en ziel roept voor u uit
„Tot uwen Heer en Hoeder.

„Hij was met u: Hij zij met u!
„Hij leide u op gebaande wegen!
„En is de weg ook somtijds ruw,
„Ook daarin zij een zegen.

„Ik weet, uw echtvriend mint u teer;
„Zijn trouwe min duldt geen verdenken:
„En liever nog heeft u die Heer,
„Wien gij, als bij, uw hart mocht schenken.”

Het vrouwtje zweeg. Zij zag omhoog.
Mij dunkt dat ik haar moed zag grijpen
Hoe schielijk wist zij uit haar oog
Het traantje weg te knijpen.

Hoe zoet een lachje zag ik toen
Om die bedrukte lipjes zweven!
Elk van haar drietal kreeg een zoen,
Maar ’t petekind wel zeven.


Ingezonden op: 19 July 2001