ONDER ’T VREEMDE JUK.

(Uit Rückert’s Geharnischte Sonnette, verechenen ten jare 1814.)

Wat smeedt gij, Smid? „Wij smeden enkel keetnen.”
Helaas, uw eigen hand omklemt een boei.”
Wat ploegt gij Boer?
„Opdat de veldvrucht groei!”
Ja, voor den vijand tarw, voor u brandneetlen

Wat zoekt gij, Weiman? „Haar en veer, ten buit.”
Hoor ’t jachtrumoer van die Uw leven zoeken.
Wat doet gij, Visscher?
„’t Watervolk verkloeken.”
Wie breekt het net; dat om uw leden sluit?

Wat wiegt gij, Moeders! en verbiedt u ’t slapen ?
„Een frissche teelt van forsch gespierde knapen.”
Ja om, in ’s Vreemdlings dienst, hun Vaderland
Ten bloede toe te slaan met eigen hand.

Wat schrijft gij, Dichter? „’k Grif in gloênde letteren
Mijn eigen en mijns volks ondelgbre schand,
Dat wij aan onzen kerkerwand
De onteerde hoofden niet verpletteren!”


Ingezonden op: 19 July 2001