TWEE WRAKKEN.

(Naar HERMANN LING).

In ít hoogste Noorden ligt een schip in dí opgestapeld ijsberg vast;
De manschap sapt op ít open dek, de sneeuw ligt om haar hoofd getast;
Hoe gillend ook de Noordwind fluit, de zeilen hangen stijf en strak;
Geen touw beweegt, geen mastspriet kraakt, en ít roerloos roer geeft kreun noch krak.

Maar ít Noorderlicht verlicht den nacht en wemelt over ít wit tooneel.
Het ledig ooghol gloeit als vuur, de marmren wang wordt rood en geel.
In ít zeildoek komen bloemen op, kristallen bloemen, koud en kil
Zoo reuzig groot, zoo spokig vreemd, zoo onheIlspellend doodsch en stil.

Van ís ijsbergs donkre toppen zien geduchte schaduws dreigend neer,
Als kwam des Voortijds monsterdracht uit zijn versteende wereld weer.
En vaak, of onder ít wicht van sneeuw de kracht des vuurs ít geduld verloor
Rolt daar een zware donderslag en splijt den ijsklomp midden door.

En in de Zuidzee ligt een schip, m hartontzettende eenzaamheid
In ít blauwen windstil watervlak, als in een open graf, geleid.,
Met lijken is het boord bemand: die zien zoo hol en uitgebrand,
Als hadden hare mummiŽn de pyramieden hier verplant.

De zandplaat werd een vuil moeras, en uit den drassen bodem schiet
Een weeldrig plantenrijk omboog van zeewier, schimmel, mos en liet.
Vermolmend ligt het vaartuig daar; uit ieder spleet en lekgat wast
Een geile groene stengel op en rankt en slingert naar den mast.

Onkenbaar is der dooden hoofd verward in blad en klemmertak,
En bloemen bloeien uit hun mond, als of die ít woord des levens sprak;
Het lange schelfblad wuift, voor vlag en, waar het scheepslicht heeft gebrand,
Vliegt ís nachts een groene glimworm op en flonkert als een diamant.


Ingezonden op: 19 July 2001