III.

DE DRENKELINGE.

Weer zoon beklaaglijke,
Die bij een korten dood
t Haar onverdraaglijke
Leven ontvlood!
Vat haar voorzichtig aan;
Handel haar zacht!
Wees met haar jeugd begaan;
Eer haar geslacht.
Zie toch dit bleek gelaat!
Zie hoe dit nat gewaad
Kleeft om die fijne leest;
Wat moet ze, in blijder staat,
Schoon zijn geweest!
Hoornaar een zacht gevoel,
En draag haar daadlijk
Weg uit dit druk gewoel,
Liefdrijk, niet smaadlijk
Zie haar niet toornig aan;
Blijf niet koelbloedig.
Wijd haar een stillen traan,
Menschlijk, zachtmoedig.
Denk aan haar zonde niet.
     Haar misdaad, zoo rauw!
Al wat gij in haar ziet
     Zij thans  de vrouw.
Vorsch niet nauwkeurig uit,
Wat toch maar treurig luidt;
Wien zou het baten?
t Leelijke  zwijg er van.
Niets heeft de dood haar dan
t Schoone gelaten.
Wat zij geweest zijn moog?
Och, laat het glippen!
Wisch deze wangen droog,
t Slijk van die lippen.
Strijk haar dit haar van t oog,
(Weelderig haar!
t Schoonste dat ge immerzaagt!)
Daar elk nieuwsgierig vraagt,
Wie? en: Van waar?
Wat was haar vader?
Wie was haar moeder?
Had zij geen zuster?
Zuster of broeder?
Was, door een andren band,
Niet nog een teerder hand
Haar ten behoeder?
O het is waard beschreid,
Dat ge, in zoo trotsch een tijd,
Echter zoo zeldzaam zijt,
Menschlievendheid!
In deze groote stad,
Op haar paleizen prat,
Wonder der aard!
Vond zij (verantwoord dat!)
Geen huis of haard.
Ach, hier verloochende
t Allesvermogende
Zusterlijk, broederlijk,
Vaderlijk, moederlijk
Hart zich geheel.
Smaad was haar deel.
Liefde .nam wat zij gaf;
Keerde zich toornig af.
Vromigheid schudde t hoofd
Bij haar rampzalig lot;
Zelfs van den troost van God
Bleef zij beroofd.
Waar der lantaarnen gloed
Trilde op den breeden vloed,
En licht bij licht
(Blijden een blij gezicht)
Flikkerde laag en hoog,
Stond zij met somber oog,
Staarde zij stijf en strak,
En  had geen dak!
Rillend; van vrees niet, neen!
Rillend van koude alleen
Rillend van top tot teen,
In dezen guren,
Barren Novembernacht,
Hield ze op de brug de wacht,
Stond zij te turen
Over de leuning heen.
Waar, voor haar oogen,
In donkre bogen
De stroom verdween.
Dol van des levens pijn,
Brandende om niet te zijn,
Verbijstring ten buit;
Inwendig gedreven
Waarheen? Om het even!
Ergens heen, ergens heen,
Dit leven uit!
En sprong.  Ze is verdwenen.
De kille rivier
Rolt over haar henen.
Lichtmissen! nadert hier;
Ziet wat gij doet!
Ziet wat hier nederplompt,
Zinkt en weer bovenkomt,
Wegzinkt voor goed.
Hebt gij dan nog den moed,
Drinkt weer uit, baadt weer in,
Pleegt weer verboden min,
Speelt in dien vloed.
Vat haar voorzichtig aan;
Handel haar zacht;
Wees met haar jeugd begaan;
Eer haar geslacht.
Schik nu die leden,
IJskoude leden,
(Eer zij verstijven)
Zoo als betaamlijk is,
Zoo als het deerenis,
Zoo als het liefde doet
Wel! Laat ze blijven!
Zoo ligt zij goed.
Druk nu die oogen dicht,
Starende zonder licht,
Vreeselijk starende,
Ieder vervarende,
Als met dien laatsten blik,
Die, met vertwijfeling,
Dood en vernietiging,
Oordeelsdag, helschen schrik
Woest onder de oogen zag,
Zag en niet zag!
Koelbloedig bedorven,
Wreedaardig veracht,
Ellendig gestorven 
Wie zegt wat u wacht?
Als of zij bade
Tot God om genade,
Als of zij nog hopen dorst,
Leg op haar doode borst
Ootmoedig te zamen
Die handjes zoo zacht en teer.
Is hier groot kwaad geschied,
Ons voegt het oordeel niet;
Aan U verblijft het, Heer!
     AMEN, Ja, AMEN.

Ingezonden op: 19 July 2001