AAN DEN HOOGLEERAAR G. J. MULDER,

In dank voor de vriendelijke toezending van zijn „Studium Generale.”

Est — commnne vlncnlum.

Den Man, wiens wetenschap niet ligt in ’t stof begraven
Maar die haar, rijp en rijk, en rein van haatlijk rag,
Het leven in doet treęn om, op den klaren dag,
Met zegenende hand haar godlijk’ aard te staven;
Den man, die ’t gouden snoer, dat kennissen en kunst
Vereenigt, kent en eert, wat woestaardij ’t verhaven’,
En, tegen. ’t drilwerk, pleit voor ’t echte geestbeschaven;
Bied ik mijn warmen dank, hoovaardig op zijn gunst.


Ingezonden op: 19 July 2001