KINDER-GODSDIENSTOEFENING.

(NAAR GEROK.)
Uit den mond der jonge kinderen en der
zogelingen hebt gij u lof toebereid.

Het plechtige luiden der klokken
Riep de ouders bijtijds naar Gods huis;
Hun kindren, met goudblonde lokken
Zij blijven nog allemaal thuis.

Die .gastjes, zoO vroolijk en woelig,
Zijn nog vrij wat te klein voor de kerk;
Maar toch, voor den zondag gevoelig,
Gaan ook zij, op hun wijze, te werk.

Elk van hen heeft een psalmboek genomen
En houdt het verkeerd voor zich heen.
Nu juichen mijn jeugdige vromen ,
Op het luidst en verhevenst dooreen.

Wat hij zingt, weet niet een van het troepje .
Elk heft aan uit een anderen toon .
Om het even! uw galmen, lief groepje!
Reiken ook tot den hemelschen troon.

Staan dr niet uw englen om henen
En zingen hun lied voor een Heer,
Die zoo gaarn van de lippen der kleenen
Zijn lof hoort vermeld en zijn eer?

Zingt dan voort! in den tuin; in de boschjes,
Doet, als gij, elk met zingen zijn best;
De sijsjes, de meesjes, de moschjes.
Jong en kleen, op den rand van het nest.

Zingt maar toe, in uw blinde vertrouwen!
Het is dit, wat uw Heiland voldoet;
O een hart gansch oprecht, zonder vouwen,
Is veel dichter bij God dan t vermoedt.

Zingt op maar! Wij zingen, wij ouden,
En lezen de Schrift, met verstand!
En toch ach! hoe menigmaal houden
Wij het boek nog verkeerd in de hand!

Zingt op maar! Wij zingen en spelen
De liedren, naar noten, als t hoort!
Maar ach! door der broedren krakeelen,
Hoe vaak wordt onze eenheid verstoord!

Zingt ook gij! Uit de statigste bogen,
Het plechtigste. krachtigste koor,
Wat is het?Een kinderlijk pogen;
Een gegons in des Eeuwigen oor!


Ingezonden op: 19 July 2001