KINDERLACH.

AAN EEN DARWINIST.

Wat apenmoeder heeft voorheen
Haar jong zoo vriendlijk aangekeken,
Dat de apensnoet is weggeweken,
En t lachje van een kind verscheen?
Het kinderlachje, zoo welsprekend,
Vol leven, liefde, ziel en geest,
Dat, feitlijk, tusschen mensch en beest
De onmeetlijkheid van d afstand teekent?

Laat, uit een stam nog onbekend,
Sim Spitsneus naast Sim Platneus spruiten,
Met menschelijke kin en kuiten,
En zonder staart aan t achterend;
Laat Gibbons, Orangs, en Gorillen,
En Chimpanzs de wellust zijn
Van die volstrekt in rechte lijn
Uit grijnzende apen dalen willen:

n blik op t wichtjen aan de borst
Van die zij weerhelft heeten mogen,
Als zij, na t laven van zijn dorst,
Het aanziet met haar zielvolle oogen
En toelacht, en dien moederlach
Betaald ziet met het zacht ontplooien
Dier lipjes versch gelaafd, vermag
Dat luchtkasteel omver te gooien!

Verloren zoon! t is vruchteloos
Verlangd eens anders zoon te wezen:
Uw werklijke afkomst staat altoos
In t lachje van uw kind te lezen.

Adam ton Qeon. Luk. III. 38.


Ingezonden op: 19 July 2001