KLAUTERLESSEN.

(NAAR RCKERT.)

Dat gij klautert, jonge borsten!
Is naar mijn verlangen;
k Haat ze, die hun tijd vermorsten
Met in huis te hangen,
Om een nestjen uit te halen
Staan er veel klimvaardig;
Uitgeblazen eierschalen,
Zijn ook zeker aardig.
Is t om de appels of de peren,
Dat gij wenscht te stijgen?
t Zelfde is van volwassen heeren
Ook te zien te krijgen.
.k Wil de pret u niet benijden;
k Gun haar u volkomen;
Slechts om rampen te vermijden
Zij mijn raad vernomen.
Let steeds hierop, dat gij geenen
Loslaat van de takken,
Eer gij tijd hadt weder een en
Anderen te pakken.
Op een dorren tak valt nimmer,
Nimmer te vertrouwen;
Zelfs niet altijd kan een klimmer
Op de groene bouwen.
En ver boven alle twijgen
Blijft de stam te kiezen;
Wil dit nooit, bij t hoogste stijgen,
Uit het oog verliezen;
Want de takken zelve moeten
Aan den stam zich schoren,
Die alleen op eigen voeten,
Staat gelijk een toren.
Wijsheid heeft de beste kansen!
Waar uw voet zich wage,
Zorg dat nooit n tak den ganschen
Last des lichaams drage!
Steun en tegensteun, mijn vrinden!
Moet er altijd wezen;
Mocht gij genen trouwloos vinden,
Gij vmdt troost bij dezen.
Altijd moeten wel de sterken
Uw voornaamste stut zijn
Maar de zwakken, zult gij merken.
Kunnen ook van nut zijn;
Menig twijgje aan groote boomen.
Dat niet veel beteekent,
Maar, met andre saamgenomen,
Duchtig mederekent.
Klimt ernsthaftig (grappenmaken.
Kunsten doen berouwt u):
Zoo zult ge in den top geraken,
En het dunste houdt u.
Maar terwijl gij u op t moedigst
Opwerkt met de handen,
Denkt eens hoe gij weer voorspoedigst
Zult omlaag belanden.


Ingezonden op: 19 July 2001