AAN MIJNE LANDGENOOTEN.

IN FEBRUARI 1861.

Dankt allen God en weest verblijd,
Omdat gij Nederlanders zijt!
Dien Naam, die Eer, dien Zegen
Hebt gij van Hem verkregen.

Die Naam, bekend van Noord tot Zuid,
Schiet als een star zijn stralen uit
En licht, wal. wende of keere,
U voor op ’t pad der eere.

Die Eer, het erfdeel van uw bloed,
Verheft uw hoofd, verhoogt uw moed.
Der Vaadren goed mocht minderen:
Hun glorie kroont de kinderen

Die Zegen tart den schoonsten schijn,
Want schoon er niet dan Vrij te zijn!
Laat Groote volken brallen:
De Vrije gaan voor allen.

Dankt allen God en weest verblijd,
Omdat gij Nederlanders zijt!
Waar zoo veel volken klagen,
Kunt gij van heil gewagen.

Geen openbaren dwingeland
Hebt gij bieden wederstand,
Geen broederkrijg te sussen,
Geen twistvuur uit te bluschen.

Geen vijand dreigt voor grens of stad.
Geen roofzucht scheert uw akkers plat,
Of keert, voor de open haven,
Den schat der Oostergaven.

Men ziet bij u, hoe ver men trekk’.
Geen weelde spotten met gebrek,
En weduwen en weezen
Wel treuren, maar niet vreezen.

Als kindren van een groot gezin,
Bindt u de band der broedermin:
Laat scheuren dam en dijken,
Die band zal niet bezwijken!

Ja, dam en dijk bezwijke en zwicht’,
Die broedermln treedt meer aan ’t licht;
Tot heeling aller wonden
Wordt zij getrouw bevonden.

Dankt allen God en weest verblijd,
Omdat gij Nederlanders zijt!
Laat nooit het bloed der Vaderen
Verbastren in uw aderen!

Voert, voert der Vaadren eer in top,
Richt marmerzuil en standbeeld op;
Maar dat uw laatste zonen
Zich hunner waardig toonen!


Ingezonden op: 19 July 2001