LAUTERBRUNNEN.

(Bern-Oberland.)

Ik dacht zoowaar dat „louter Bronnen ”
Mij „louter Tranen” worden zou!
Wat had mijn dwaasheid toch begonnen,
Van u te scheiden, dierbre vrouw!

Gij hadt den weg door ’t dal genomen,
Maar ik den bergweg, als een man!
Te Lauterbrunnen saam te komen,
Ziedaar het plan, ’t „verstandig” plan.

Ik steeg vol moed, langs woeste paden
Al hooger, hooger, hooger op;
En kon mijn oogen niet verzaden
Aan Eiger-, Monch- en Jungfrau-top.

Hij die geen Scheideck heeft beklommen,
Geen Wengernalp.weg in mocht slaan,
Is ’t heiligste der heiligdommen
Van ’t Oberland niet doorgegaan.

O ongelijkbre wildernissen,
Waar hoven ’t schittrend schouwspel praalt,
Van sneeuw- op sneeuwberg, op wier spitsen
De felle zon van Juli straalt!

O Heldre beken. donkre wouden,
Diepe afgrond, vreedzaam, lachend dal!
Geen oogen, die u koel aanschouwden,
Geen hart, dat u vergeten zal!

Ik kon mijn schoonheidsdorst niet boeten,
En zag wel duizendwerven om;
Toch kreeg ik vleuglen aan de voeten,
Als ik ten laatsten afwaarts klom.

Of wist ik niet, dat gij mij uren
Vooruit moest zijn, en de eenzaamheid
Ook in een lustoord lang moet duren,
Wanneer men uitziet en verbeidt?

Het pad is steil, en tegen ’t zuien;
De grijze kalkwand gloeit als vuur;
De zon, bij hangende onweersbuien,
Steekt fel in ’t heet namiddaguur.

Aan de overzijde waagt, in éénen,
De beek den sprong van duizend voet —
Indien gij neerkwaamt op uw beenen,
O Staubbach! ik benijdde uw moed.

Maar, beeld van hen, die God verzoeken,
Uw schittrend waagstuk wordt ten spot:
Het dal ziet van den roekloos kloeken
Zelfs geen ellendig overschot.

Zij die mij wacht, en óók haar oogen
Op u slaat, met beklemd gemoed,
Ziet u verstoven en vervlogen,
En troost zich dat ik „langzaam spoed;”

Ik spoed mij, lieve! ik kom u nader;
Ik spaar geen zweet; ik slaak geen klacht;
Al zwoegt mijn boezem. ik vergader
Tot grooter haast mijn laatste kracht.

Nog één, één ziegzag! — Neen, nog dezen!
En dezen! — En deze’ eenen nog! —
Dit echter zal de laatste wezen……
O! zielvermoeiend zinbedrog!

In ’t eind: ziedaar het dal gewonnen
Waarin ik rust genieten zal,
Een dal van „loutre vreugdebronnen,”
Aan uwe zij, mijn lief, mijn al!…

Gij zijt er NIET! Vergeefsche vragen
Aan gids en voerman, waard en gast!
Geen menschlijke oogen, die u zagen,
Geen hoek, waaruit gij mij verrast!

Intusschen pakken onweerswolken
Zich saam tot ondoordringbaar zwart,
En bliksems schitteren als dolken,
En steken naar mijn angstig hart.

Daar wekt de dreun der donderslagen
Van honderd bergen de echo’s op,
Doet de onverschrokkensten versagen,
En voert mijn bange vrees ten top.

De regen stroomt, de beken klateren
Met storting, die elks oor verdooft;
En alle golven, alle wateren
Gaan over mijn verbijsterd hoofd.

Ik zie, hoe langs doorweekte wegen
Een donkre reiskoets mijwaarts jaagt;
De voerman, bukkende om den regen.
Duikt in zijn mantel, hooggekraagd.

De wit beschuimde paarden snuiven
En brieschen, van geen storm verschrikt;
Maar op mijn hoopvol welkomwuiven
Geen antwoord dat mijn ziel verkwikt!

Een tweede volgt haar — Ach, mijn oogen,
Gij zoekt vergeefs! Zoo schreit nu, schreit!
Een derde — heeft uw hoop bedrogen,
Een vierde — doemt tot raadloosheid.

Een vijfde…… O Hemel! heb erbarmen,
Geef hoop. geef uitkomst voor mijn hart!……
’t Geschiedt! Daar valt gij in mijn armen,
En weggevaagd zijn angst en smart!

Nu zweer ik dat ons niets meer scheiden,
Maar dit het reisplan wezen zal:
Eén doel, één wil, één weg voor beiden;
Een zelfde berg, een zelfde dal!

De lezer echter leer mistrouwen
Den kastelein van Grindelwoud,
Die paarden toezegt aan mevrouwen,
Maar die zijn woord niet altijd houdt.


Ingezonden op: 19 July 2001