BIJ DE UITGAVE VAN MIJN DICHTBUNDEL

„MADELIEVEN.”

1869.

Madelieven zijn er altijd,
En die ze wil zoeken die vindt er;
We zijn ze slechts een oogenblik kwijt,
In ’t barste van den winter.

En daar het voor mij nog geen winter is,
Maar— zoo als gij ’t wilt noemen!
Zoo leg ik heden op uwen disch,
Een handvol van deze bloemen.

Gij hebt er gewis wel eens mooier aanschouwd.
Die frisscher en fleuriger blonken;
Maar hebben ook zij niet haar hartje van goud,
Dat hemelschen dauw heeft gedronken?


Ingezonden op: 19 July 2001