MOZES OP DEN NIJL.

Draag, groote Nijl, wien nimmer sterflijke oogen
Aanschouwden waar gij klein zijt en gering!
Draag op uw schoot de es kleinen zuigeling,
En spaar hem, met zijn Moeders leed bewogen.

Wieg, schommel hem voorzichtig op uw baren
En drijf hem zacht naar ’t veilig hoekje voort,
Waar vorstlijk oor „het jongsken weenen” hoort,
Van tusschen riet en groene lotusblaren.

En als hierna dit „knechtken der Hebreeuwen”
Uw godlijk nat in drabbig bloed verkeert,
Den zegen van uw welige oevers weert,
En mensch en dier zijn noodkreet uit doet schreeuwen;

Wijt dan dit leed het Kind niet, dat gij spaarde,
En veiliger gesmoord had in uw vloed,
Maar ’t Monster, door uw vruchtbaar slib gevoed,
Der dwinglandij, uw vloek, den vloek der aarde,
Die overal het water maakt tot bloed.


Ingezonden op: 19 July 2001