OOTMOED.

(Naar BUNYAN.)

Die laag bij de aard is, ducht geen val,
Geen strik van hoovaardij;
Die stil en needrig aantreedt, zal
God hebben aan zijn zij.

Ik ben tevreden met mijn deel,
t Moog wel of kwalijk gaan;
Tevredenheid, des vraag; ik veel,
Want zulk en neemt God aan.

Zoo ik den weg ten hemel ga,
Strekt me overvloed tot last;
Hier weinig, en t geluk hierna,
Ziedaar hetgeen mij past.


Ingezonden op: 19 July 2001