AAN EEN „OPENBRIEF”-SCHRIJVER.

Telum imbellum sine ictu.

Uw wenkbrauw daalt, uw oog schiet stral”n;
De booze lip krult vreeslijk op;
Het kort en snuivend ademhalen
Meldt een versnelden harteklop.
Krampachtig klemmen zich uw vingeren
Te zamen om een scherpe speer;
Gij gaat dit „vaak beproefd” geweer
Moorddadig op uw vijand slingeren,
En dooddoen zal het als weleer!
Dees echter, ’t oude wapen ziende,
Vreest of ontzet zich niet met al;
Dit „vaak beproefd” is ’t „uitgediende,”
Dat in uw handen breken zal.

Zoo was ’t. Geen hartaâr werd doorstoken;
Geen roode bloedstroom werd aanschouwd;
De dufheid van ’t vermolmde hout,
Was al wat — onze neuzen roken.


Ingezonden op: 19 July 2001