HET REGENSCHERM.

(Wengern. Bern-Oberland.)

Hans Jorgen maait zijn goudgeel graan;
Zijn wijfje bindt de schooven;
Zijn jongens dragen af en aan;
Zijn oudste dochters sloven.

Wat roert zich onder ít regenscherm,
Dat uitstaat op de velden?
Ik zie een handje, zie een arm,
Die jeugdig leven melden.

Nu buk eens, kijk eens, zie eens goed!
Is dit niet net een prentje?
Christientje houdt haar broertje zoet,
Dat aardig, mollig ventje.

Het kind is dertien maanden oud,
Christientje een jaartjen ouder;
Maar zIe hoe stevig zij het houdt!
ít Is bij geen mensch vertrouwder.

Zij zit het, onder ít regenscherm,
Bestendig te vertellen.
De zon is hoog, de lucht is warm;
Maar hen schijnt niets te kwellen.

De lucht is heet en hoog de zon,
En nergens dak of boomen;
Maar deze groene champignon
Belommert hen volkomen.

Zij zien zoo vroolijk, zijn zoo zoet
Als iemand kan verlangen;
Zie maar die oogjes, vol van gloed,
Die kuiltjes in de wangen.

En als de moeder maar eens bukt,
En toeknikt uit de verte,
Dan zijn zij heel endí al verrukt,
Dan juublen zij van harte.


Ingezonden op: 19 July 2001