NAAR RÜCKERT.

1.

De schoonheid der schepping staat. duidlijk en dicht
Voor ieder natuurlijk menschengezicht;
Gij behoeft, om haar te begrijpen,
Vergrootglas noch brillen te slijpen.

2.

Mal wicht! Gij baart u eigen pijn!.
Iets kunt gij wezen, maar alles onmooglijk.
Waarom verbaast het u dan toch zoo hooglijk,
Te zien dat andren ook iets zijn.

3.

Wilt ge dat we u metterdaad
In den huismuur bouwen?
Steenklomp! acht het niet zoo kwaad
Dat we u wat behouwen.

4.

Zult GIJ de wereld gadeslaan,
Doorzien hetgeen zij stelt te prijken,
Geef dan de schrale vreugd er aan
Altijd u zelf te laten kijken,

5.

Hij poëzij is toovnarij in ’t spel;
O echter de poëten
Betooverden of toovnaars moeten heeten
Dat weet ik niet te wel.

6.

Van wat ik zag, van wat ik hoorde
Voelde ik maar zelden kracht en zin,
Zoolang de indruk de bezinning. stoorde.
Eerst bij ’t herdenken zag ik alles in.

7.

Gij hadt geen genoegen, en ik had geen pret;
Wij trouwden elkander, nu hebben wij het;
Hoe is dat geluk dan verkregen,
Indien niet van boven, als zegen?

8.

Een dubblen trek heeft al wat leeft:
Trek naar beneden, trek naar boven;
Die best gehoor aan beiden geeft
Is allermeest te loven.
Geen hoogmoed vare u in den krop!
Laat ook den moed niet zinken!
Naar ’t licht des hemels streve uw top,
En laat de wortel drinken.


Ingezonden op: 19 July 2001