UIT SHAKSPERE.

(As you like it.)

De wereld is niet dan een groot tooneel;
Acteurs zijn alle mannen, alle vrouwen;
Zij hebben hun afwisslende ops en afs;
En beurtlings speelt een zelfde vele rollen.
Bedrijven zijn er zeven. Eerst een wicht,
Schreiend en spijend in malmoertjes armen.
Daarna een frissche schoolknaap met een lang
Gezicht en riem vol boeken, als een slak
Ter dagschool kruipend. Dan mijnheer de minnaar,
Die als een ketel stoomt, en vr zijn liefste
Een lied vol jammer zingt. Straks, een soldaat
Vol barsche vloeken; als een beer zoo ruig;
Heel fel op de eer; opvliegend; rasch tot twist;
De waterbel van roem en grootheid zoekend
Tot in den mond van t grof geschut. Nu volgt
Een raadsheer, dik van buik en onderkin;
Het oog gestreng; t snit van den baard formeel;
Vol wijze spreuken, voorbeelden, citaten...
Aldus speelt dees zijn rol. De zesde leeftijd
Komt als een maagre Pantalon, op muilen,
Een knijpbril op den neus, te voorschijn. t Vroeger pak
Werd wel een huis te wijd voor den scharminkel.
De volle borst-stem, eens zoo manlijk zwaar,
Kreeg nogmaals t hooge van een kinderkeel,
En schiet al piepende over. t Laatst tooneel,
t Besluit van t drukke en voorvalrijke stuk.
Is tweede kindsheid; geen geheugen meer!
Tand-, oog-loos, oor-loos, smaak-loos, alles loos.


Ingezonden op: 19 July 2001