II.

HET STERFBED.

Met zorg hield een bedroefde kring
Den adem in, om acht te geven
Hoe in haar borst de stroom van ’t leven
Nog flauwtjes op en neder ging.

Elk onzer fluisterde zoo zacht,
En stond zoo machtloos op zijn beenen,
Als hadden we elk zijn eigen kracht
Haar tot den doodstrijd moeten leenen.

Door vrees en hoop werd evenzeer
Ons hart misleid, bij ’t pijnlijkst wachten.
Zij sliep. Wij zeiden: „Ze is niet meer.”
Zij stierf. Toen sliep zij, naar wij dachten.

Want, toen de morgen koud en nat
Te voorschijn kwam met regenvlagen,
Hield zij haar oogjes toe. Zij had
Een schooner dag zien dagen.


Ingezonden op: 19 July 2001