VELDBLOEM EN KASBLOEM.

De bloemkens langs de wegen,
Die ken ik meest alle bij naam;
Zij lachen mij vriendelijk tegen,
Zij groeten mij al te zaam.

De bloemen achter de ramen,
Omdat ik haar namen niet weet,
Die schijnen zich mijner te schamen.
En momplen: „Die domme Poëet.”

Uw dienaar, preutsche prinsessen!
Gij zijt schoon, zijt bevallig, vol vuur;
Maar gij eischt nog al vijven en zessen.
En verkoopt uwe gunsten wat duur.\

Pronkziek volkje uit Japan en Bengalen,
Dingt om prijzen van zilver en goud!
Ik wilook u mijn hulde betalen,
Maar mijn hart, o mijn hart laat gij koud. —

Goeden dag, Madeliefje! Gouddropje!
Eerenprijsje, zoo zedig en zacht!
Zeg eens gauw: sliept gij zoet in uw knopje,
En wat weer of gij heden verwacht?

Erenpr. „Goeden morgen! wij sliepen als rozen.” —
Goudd. „En het weer wordt vandaag vast heel mooi. —
Madel. „’k Heb een plaatsje aan uw knoopsgat gekozen,
„Waar ik stervend mijn bladertjes strooi.”


Ingezonden op: 19 July 2001