VONDEL.

Waar zijn de liedren, waar de tonen,
Den grooten Vondel waard?
De lauwren, om een hoofd te kronen,
Waar eeuw bij eeuw op staart,
Met d’eerbied, die aan de echte zoner.
Van ’t godlijk lied weervaart?

Laat de Amstel van zijn lof weergalmen!
En gij, zijn „blonde Rijn,
Beplant met rijnschen wijn!”
Laat met uw ruischende oeverhalmen
Zijn naam verzelvigd zijn.
Bevlecht zijn schedel, Oosterpalmen!
En gij, Germaansche Pijn!”

Wat snaar heeft hij niet aangeslagen?
Wat toon haar niet ontrukt?
Wat anderen vermetel WAGEN,
Aan Vondel is ’t GELUKT.
De Davidsharp heeft hij gedragen,
De Grieksche luit gedrukt.

Hij is ten hemel opgestegen,
Ten afgrond neergedaald;
Hij heeft, op on-bezochte wegen,
Steeds nieuwen roem behaald;
Nooit is hij machtloos neergezegen;
Nooit heeft zijn greep gefaald.

Hij heeft ons ’t lied der englenreien,
Der duivlen oproerklank
Doen hooren; tortelduif! uw schreien,
Op een „verdorde rank;”
De herderlijke veldschalmeien,
En krijg- en offerzang.

O Kerstnacht, schooner dan de dagen!”
O Kankerige tak,
Van vorstelijken boom geslagen,
Met zoo geducht een „krak!”
„O Pluim,” die Ruben rouw deed dragen,
„Waarin het duifken stak!”

Hoe menig oor wist gij te boeien,
Daar ’t godentonen ving;
Hoe menig traan hebt gij doen vloeien,
Die als een parel hing;
Hoe menig edel hart doen gloeien
Van verontwaardiging!

Waar zijt gij, Helden, Vorsten, Wijzen,
Van Hollands schoonsten tijd,
Wie Vondels hart geen lied deed rijzen,
Aan uwen lof gewijd?
Onstel-ftijke gezangen prijzen
U, die onsterflijk zijt.

Maar Wie heeft liedren, wie heeft tonen,
Den grooten Vondel waard?
Wie lauwren om hem ’t hoofd te kronen,
Waar eeuw bij eeuw op staart,
Hem, wien van duizend muzenzonen
Geen enkele evenaart?

Prijk op uw voetstuk, eenig zanger!
Vertoon uw aangezicht!
Uw vaderland verzaakt niet langer
Zijn uitgestelden plicht.
Herinn’ring van uw lied vervange er
Ons later kreupeldicht.


Ingezonden op: 19 July 2001