WINANDERMEER.

(Westmoreland. Lake-district.)

Ik had nog nooit een meer aanschouwd,
Dat grootsch of schoon mocht heeten:
Daar zag u mijn verwonderd oog,
Bespannen met een regenboog, ó
Ik zal het nooit vergeten.

De zomerbui was kort van duur,
En dreef voorspoedig over;
De regen, die gevallen was
Hing als juweelen aan het gras,
En parelde van ít loover.

ít Was de avond van den schoonsten dag;
De stilte was volkomen;
Plechtstatig stonden van rondom
De heuvlen om de waterkom,
Met goudglans op hun zoomen.

En ís morgens droeg me een vlugge boot
Op uw zoo heldre vloeden,
Uw oevers langs, uw bochten in,
Van ít vredig eind naar ít drok begin,
Waar u de stroom kwam voeden.

Bekoorlijk schouwspel! Rijk genot,
In op en rond te staren!
Van heuveltop tot heveltop
Trok wolk bij wolkje langzaam op,
Als wierook van de altaren.

Maar ít zonlicht, als het hooger steeg,
Kwam meer genoegen geven,
Daar ít hout zijn licht en bruin ontving .
Het spieglend meer zijn glinstering,
En alles kleur en leven.

Hier keek een landhuis uit door ít groen.
In ít hangen van de heuvlen;
Daar nam het bonte vee zijn bad;
Ginds gleed de zeilboot over ít nat,
Met witte en bruine vleuglen.

ík Heb schooner waatren sinds gezien,
En stout en grootsch om ít zeerste:
Lac-Leman en ít Luzerner meer,
Loch-Lomond, Schotlands roem en eer;
Maar gij blijft altoos ít eerste.


Ingezonden op: 19 July 2001