AAN EEN PAS GELEERDE.

Beschimp geen voorgeslacht, omdat het weinig wist
Van t geen t onmooglijk weten konde,
En maak t niet tot zoo groot een zonde,
Zoo t slechts vernuftig heeft gegist.
Zoo gij, wiens wijsheid bij t vergaderen
Der vrucht van andrer arbeid blijft,
Geleefd hadt in den tijd dier vaderen,
Wier vonnis uw verwatendheid schrijft,
In ons waar t nimmer opgekomen
Met u te spotten, naar ik acht;
Want vriend! van lieden van uw kracht
Heeft nooit het volgende geslacht
Den naam of eenig woord vernomen.


Ingezonden op: 19 July 2001