HEB LIEF.

(NAAR FREILIGRATH)
O Heb toch.lief zoo lang gij kont,
Zoo lang u God nog tijd verleent;
Daar komt een dag, daar komt een stond,
Dat ge aan een grafkuil staat en weent.

Zorg dat uw hart van liefde brand,
En branden blijve en niet verkoel,
Zoo lang daar van een andren kant
Iets voor u klopt met warm gevoel.

En zoo dat andre hart zich sloot,
O Rust niet voor gij ’t weder-wint!
Blijf altijd goed en welgemoed;
Bemin het tot het u bemint.

Maar ach, bedwing vooral uw tong!
’t Onvriendlijk woord ontsnapt zoo snel.
’t Was niet zoo hard gemeend als ’t klonk;
Maar dien het krenkte onthoudt het wel.

O Heb toch lief. zoo lang gij kont,
Zoo lang u God den tijd verleent!
Daar komt een dag, daar komt een stond,
Dat ge aan een grafkuil staat en weent.

Dan knielt gij op de zode neer,
Of ligt wanhopig uitgestrekt
— Helaas! uw doode keert niet weer!
Op wat hem voor uw oog bedekt.

Dan kermt gij: „Zie nog eenmaal op
Tot hem, die bij uw groeve weent!
Vergeef hem ’t leed, dat hij u deed;
’t Was waarlijk niet zoo boos gemeend!”

Geen oor, dat hoort, geen oog, dat ziet,
Geen wang, die meer uw kus ontvang!
De mond, de doode mond kan niet
Meer zeggen: ik vergaf ’t u lang.

Toch deed hij ’t; hij vergaf ’t u voort;
Maar menig bittre traan vloot neer,
Om u en om dat vreeslijk woord —
Maar ’t is voorbij; het deert niet meer.

O Heb toch lief, zoo lang gij kont,
Zoo lang u God den tijd verleent;
Daar komt een dag, daar komt een stond,
Dat ge aan een grafkuil staat en weent.


Ingezonden op: 19 July 2001