EEN LIED OP HET JAARFEEST DER UTRECHTSCHE ZENDINGVEREENIGING.

April 1871.
Rom. XV : 1012.

Verheugt u met het volk van God,
Gij volken en geslachten!
Weest met ons vroolijk in uw lot;
Gij leeft in Gods gedachten,
Zijn roepstem klinkt van oord tot oord;
Hij stort zijn Geest, hij zendt zijn Woord;
In welk een hoek gezeten,
Geen uwer wordt vergeten.

Prijst, al gij heidnen, prijst zijn naam;
Looft, looft den Heer der Heeren!
Gij zult hem kennen al te zaam,
Uw somber lot zal keeren.
De duisternis uws nachts verdwijnt;
De dag breekt aan, de zon verschijnt;
Het altaar wordt verbroken
Den On-bekende ontstoken.

De Twijg, met eeuwig groene blan,
Uit Jesses stam gerezen,
Zal als banier der volken staan,
Zal aller toevlucht wezen.
Een Heilbanier, die hope wekt,
Beschermt, vereenigt, overdekt,
Bezielend op zal zweven,
En vrede en ruste geven.

AI spotten Booze en Wereld luid
Met heil en heilverwachting;
Al trekken christenvolken uit
Ten krijg en broederslachting;
Al treft het oordeel Gods alom
Een overspelig christendom,
Op twee gedachten hinkend,
In ongeloof verzinkend:

Hij die t beloofd heeft is getrouw,
Getrouwen machtig beide;
En rijzen zal het godsgebouw
Waar hij den grond van leide;
En wassen t wondre Mosterdzaad;
En werken t Zuurdeeg vroeg en laat;
Ook zal van kust tot kusten
Het Visschersnet niet rusten.

Welzalig, die van t Visschersnet
Een slip heeft aangegrepen;
Die meedoet, waar t wordt uitgezet,
Om buit voor God te sleepen!
Welzalig die, van t oeverstrand,
Het hart mag sterken en de hand
Van die de zee braveeren,
Om met dien buit te keeren!

Welzalig, die een handvol graan
Aan handen toe mag trouwen,
Die in den naam des Heeren gaan
De wildernis bebouwen!
Welzalig, die het onweer tart,
En, met de hoop in t biddend hart
Niet moedloos wordt te zaaien,
Wat na hem andren maaien!

De graankorl schijne in s aardrijks schoot
Verloren en verdwenen;
Eens breekt haar leven uit den dood
Door elk beletsel henen.
Gods tijd is daar; de kiem ontspruit,
De volle halm, na t groene kruid;
Haast zal het ruischend koren
Den lof zijns naams doen hooren.

Niet altijd zal uw dompig bosch
Het licht des hemels keeren;
Eens wordt ook gij een planting Gods,
Een vruchtbre hof des Heeren,
O Nieuw Guinea! Al begeeft
Een Geissler u, een JEZUS leeft.
Die hem had uitgezonden
Heeft nieuwe hulp gevonden.

Rust zacht in Vaderlandschen grond,
Nog eens aanschouwd vr t sterven .
Man Gods! uw naam leeft in den mond
Van die u noode derven.
Gij derft niets meer, gij ziet uw Heer,
Deelt in zijn heerlijkheid en eer;
En wacht aan Zijne zijde
Dat de oogst uw hart verblijde;

De oogst van dien akker stug en woest,
Waar gij op rotsen ploegde,
Maar t doen van wat gij mocht en moest
Uw stil geloof vernoegde.
Uw voorbeeld vuur de mannen aan,
Die tot uw taak zijn ingegaan;
De Geest, die in u werkte,
Zij ook hun licht en sterkte!

O Geest des Heeren! kom, daal neer
Met krachten, gaven, stralen!
Beziel de dienaars van den Heer,
Vermeerder hun getalen!
Voer alle Heidnen tot hun God!
Wend, door bekeering, Isrels lot!
Laat ons, in onze dagen,
Goeddoende niet vertragen!


Ingezonden op: 19 July 2001