IN HET NIJENBURGSCHE BOSCH.

Aan mijne Vrouw.

Zoo kirde de tortel, zoo geurde het kruid,
Toen ik hier u mijn min heb beleden;
Zoo speelde het zonlicht door t bladrijke hout,
Toen ik hier u den nood mijner ziel heb vertrouwd,
Uwe hand in de mijne is gegleden.

Tien jaren verliepen, vervlogen veeleer;
Onze liefde, ons geluk was gestadig.
Eenmaal DREIGDE, eenmaal GING er een zwaard door mijn ziel,
Eenmaal was t of, in u, mij het leven ontviel
Maar God spaarde u en bleef ons genadig.

Sinds leeft gij, sinds straalt ge, in onschendbare jeugd.
Als een beeld van gezondheid mij tegen;
In uw oogen de tintling van levensgenot,
Op uw lippen de lach van den vrede met God.
Op uw voorhoofd het merk van zijn zegen.

Nog tien jaren, mijn dierbre! Is het leven niet zoet
Voor wie t zoetste des levens niet derven?
Nog tien jaren; nog twintig (of vraag ik te veel?),
Met den hemel in t harte en met u tot mijn deel,
Om daarna in uw armen te sterven.

Juli 1869.


Ingezonden op: 19 July 2001