TIJDENS DEN OORLOG. 1870, 1871.

I.

DE OORLOG VERKLAARD.

De dag der slachting is gekomen;
Het lot der volken wordt beslist,
Het schorre krijgsgeschrei vernomen,
En moed en moedwil aangehitst.
Haast dreunt de buskruitdonderknal,
Waarop de bloedstroom volgen zal.

Kan niets, o God! den storm bezweren,
Den toorn verbidden, die hem wekt,
Den vuurvloed, eer hij uitbreekt, keeren,
En half een wereld overdekt?
Gij kunt het, elke macht te sterk,
Maar niet dan door een wonderwerk.

Of moet het, naar Uw raad, geschieden.
Wat wederzijdsche wrok verlangt?
Heet Gij de driften uit te zieden,
In t berstend hart vergeefs geprangd?
Bereidt, door d onvermijdbren strijd,
Uw wijsheid ons een beetreu tijd?

Moet de oorlogsvlam, waar wij voor huiveren,
Die zooveel goeds verdelgen zal,
Den dampkring van de smetten zuiveren,
Die krankhen telen zonder tal,
En branden distlige akkers schoon,
Opdat een beetre vrucht zich toon?

O, maak het kort! Voleindig spoedig
Uw goed, maar vreeslijk werk, o Heer!
Bestraf, beteugel, maak ootmoedig,
Doe recht, en geef den Vrede weer!
Den Vrede, die, na bang gemis,
Den volken dubbel dierbaar is!

27 Juli 1870.

Ingezonden op: 19 July 2001