TIJDENS DEN OORLOG. 1870, 1871.

II.

BEMOEDIGING.

Neen! nog is Neerland niet in nood,
Al hebben vorsten ít zwaard ontbloot,
Al rees de krijg uit ís afgronds kolken;
Al had verborgen staatsmanslist
Het in gedachten uitgewischt
Van uit de rij der volken.

Die ít op de rol der volken schreef,
In zoo veel nood en ít sterken bleef
En ít uitgered heeft zoo veel keeren;
Die ít eigen taal en volksaard schonk,
Die nooit gewild heeft dat het zonk,
Regeert en blijft regeeren.

En zoo een natie, onder God,
Op Vorsten zien mag, en zijn lot
Mag toebetrouwen aan zijn helden:
Oranje leeft; en ít Neerlandsch bloed
Zal niet verzaken dí ouden moed,
Waar ít vrijheid, recht, en eer zou gelden.

Lig waakzaam neer, zie rustig rond;
Gij hebt nog tanden in den mond;
Gij hebt nog nagels aan de klauwen;
Hebt immers nog een hart in ít lijf,
O Leeuw van Neerlandí? Leef, en blijf
De pijlen bij elkander houen!

Aug. 1870.

Ingezonden op: 19 July 2001