TIJDENS DEN OORLOG. 1870, 1871.

V.

AAN LODEWIJK NAPOLEON.

Geen schimp of smaad op uw vernederd hoofd,
Van Cesars krans. Augustus kroon beroofd,
Geen spotkreet bij dien glans, op eens verdoofd,
Na tergend blinken!

Maar deze vraag bij ’t blusschen van een zon,
Wier nedergang geen wonder schorten kon.
Of GOD u onrecht doet, Napoleon!
In ’t roemloos zinken?

Uw vijand dreef u toornig voor zich heen;
Uw leger weet zijn rampen u alleen;
Uw volk verzaakte u; u ter gunste geen
Een woord dorst wagen;

Uw Keizerin verborg haar machtloos schoon;
’t Rampzalig kind, veroordeeld tot uw troon,
Verwenschte ’t uur, dat hem van Keizerszoon
Den naam deed dragen.

En nu! ’t Is uit. Gevangen; weggevoerd;
Dat trotsche hoofd geknakt, die mond gesnoerd;
GEBRACHT waar gij zoudt KOMEN, waar gij zwoert
Te zegepralen!

Waar zijn de vleiers nu des „Grooten Mans?”
Wat doen voor hem Europa’s Vorsten thans?
Zij koesterden zich gistren in den glans,
Dien hij deed stralen.

Ach GIJ bedroogt, en WERDT bedrogen. SCHIJN,
En anders niet, mocht uwe grootheid zijn.
Maar de Almacht sprak te harer tijd: „Verdwijn,
„Wees niet met allen!”

Hier viel, getroffen door een bliksemstraal,
Geen AADLAAR uit de lucht, als de eerste maal,
Alleenlijk is van zijn te hoogen paal
Zijn BEELD gevallen.

Gij WEET het. die uzelven kennen moet;
Wiens hart alleen verachting heeft gevoed
Voor wat er boog en omkroop voor uw voet,
En heimlijk lachte.

Die vreugd is uit, in bitterheid verkeerd;
De laatste lach is uit uw ziel geweerd;
ZIJ lachen, die gij ’t lachen hadt verleerd
— In uw gedachte!

O Raas niet op „dien helschen keer uws lots!”
Buig neer de kruin! Erken het oordeel Gods!
Het wreekt niet slechts uw Keizerlijken trots,
Uw godheid-spelen!

Het wreekt de trouwen de eer, door u verzaakt,
Den meineed, die u Keizer heeft gemaakt,
Den gruwelnacht, dien gij hebt doorgewaakt
Met moordbevelen.

Het wreekt… O gij zult weten wat het wreekt,
Zoo maar ’t geheugen werkt, ’t geweten spreekt,
De wroeging haar verterend vuur ontsteekt,
De hamer, die het hardste hardsteen breekt,
Den berg kan sloopen,

Zich opheft en Zijn werk doet, onverkort!
Vorst! Al uw wonderboomen zijn verdord;
Uw Babelstoren ligt in puin gestort:
Alleen als ook uw hart verbrijzeld wordt.
Staat iets te hopen.

5 Sept. 1870.

Ingezonden op: 19 July 2001