TIJDENS DEN OORLOG. 1870, 1871.

VI.

AAN KONING WILHELM.

Vervolg uw weg, voorspoedig Held!
Wat kan uw loop beperken?
Gij hebt den Arend neergeveld:
Gij kort den Haan de vlerken.
Gij jaagt hem wreevlig binnen t hok,
Bedreigt Zijn sluiting en zijn stok,
Verleert hem t koningkraaien,
En laat uw toorn niet paaien.

Verschriklijk maakt uw lood en staal
Een eind aan t roekloos tarten,
Aan hol gezwets en leugentaal
Van diepbedorven harten
De Seine, bevende en in pijn.
Betaalt voor uw bedreigden Rijn;
Parijs zal aan uw voeten
Berlijnsche droom en boeten.

Niet altijd zal, niet langer mag
Uw veerkracht zal het keeren
Een driest, een ingebeeld gezag
Geheel Euroop regeeren;
Niet langer, met de hand aan t zwaard
En volk de schrik zijn van heel de aard,
Maar u een waarborg schenken
Van niemands rnst te krenken.

Zoo zij t! Doe, in des vredes naam
Dien dienst aan s werelds volken!
Een dankbaar nakroost zal uw faam
Verheffen tot de wolken.
Maar heeft uw arm die taak volbracht
Maak, maak geen misbruik van uw kracht,
Wees van t geslacht dergenen,
Wie rookend puin doet weenen.

Bestrijd den snoever; straffe uw kling
Die vruchtloos zich verzetten;
Maar ga geen overwonneling
 Met ijzren voet verpletten.
Schenk aan ootmoedigen den vre,
En keer een slagzwaard in de sche,
Onwillig opgeheven,
Waaraan geen smet mag kleven.

Geen smet van heerschzncht, smet van roof
Onteer t rapier des braven!
Het mag geen nooit te dempen kloof
Van wrok en wrevel graven.
De lauwer, die dat zwaard bedekt,
Zij een, die s VIJANDS eerbied wekt,
Die achting vindt bij allen,
En s Hemels welgevallen.

Geen WEEKHEID gij gedenkt uw plicht
Aan zooveel heldenzielen,
Als, de oogen op uw doel gericht,
Getroost op t slagveld vielen!
Maar KRACHT! De kracht van t zelf bezit,
Dat, na t beschieten van zijn wit,
Geen nuttelooze pijlen
Het wit voorbij doet ijlen.

Men kroon met onverderflijke eer,
Die steden wint en sloten;
Hij, die zijn geest beheerscht, is meer,
Is grootste van de grooten.
Die eer zij uwe, o Vorst! Zij zegt
Meer dan een landwinst, die niet hecht,
Dan, op uw zilvren haren,
De frissche lauwerblaren.

2 October 1870.

Ingezonden op: 19 July 2001