TIJDENS DEN OORLOG. 1870, 1871.

VII.

NOODKREET VAN DEN STILLEN BURGER IN T GETEISTERD FRANKRIJK.

Gij Engel van den vrede,
Gij Bode van t geluk,
Keer weer op onze bede
En red ons van den druk!
Wij hebben reeds zoo lang
Onze armen uitgeslagen,
Met bidden en met klagen
En tranen op de wang.

Onze akkers zijn vertreden,
Ons kudden zijn verjaagd;
Verwoest zijn onze steden.
De straten leeg gevaagd.
De vaders zitten neer,
De moeders staan verslagen,
De bruiden jammerklagen,
De zonen zijn niet meer.

Och, dat zich God erbarme,
En zijne slaande hand
Afkeere van dit arme,
Verdrukte vaderland!
Zij heeft t MET RECHT verscheurd;
Dat ze UIT GENADE heele!
Al zijn de zonden vele
En alle gunst verbeurd.

December 1870.

Ingezonden op: 19 July 2001