TIJDENS DEN OORLOG. 1870, 1871.

IX.

PARIJS IN OPSTAND.

Der Vaadren ondervinding baat
Niet aan hun kindren, schoon zij t hopen;
t Kroost wil zijn eige, ervaring koopen,
Ook die op bloed en tranen staat.
Geschiednis! vruchtloos predikt gij
Uw lessen voor der volkren ooren:
Een nieuw geslacht wil, vrij en blij
Alleen zijn eigen wijsheid hooren.
Gemeene onachtzaamheid vergeet
De roede, die haar heeft geslagen;
En soms? schijnt tegenwoordig leed
Tot nieuwe dolheid op te jagen
O Stad der Dwaasheid! viel te kort,
Te licht u t leed, dat ge in uw muren
Van vreemden vijand moest verduren,
Dat gij u-zelf ten vijand wordt?
Verlustigt ge u in smart op smarte,
En strijkt gij, met verblinde drift,
Aan nieuwe dolken t oud vergift,
En zet ze u roekloos tegen t harte;
Strooit vuur en vonken overal.
En juicht als gij de vlam ziet lichten,
Die t overschot vernielen zal,
Waarop gij t nieuw gebouw zoudt stichten?
Godloochnaresse, die uw lot
In eigen handen meent te dragen
En op zijn hemeltroon bespot,
Die tot u spreekt in donderslagen!
Is dit het einde of t eind nog niet?
Zal straks de ontzette wereld hooren:
Wat lang gedreigd heeft, is geschied;
Parijs ligt in haar bloed te smoren?
Of zal een vuist, die d arm verplet,
Die wreevlig staat naar eigen leven,
Nog eens de macht zijn, die u redt,
En aan den zelfmoord uitstel geven?
Een schijn van rust, door machtloosheid.
Waaruit u nieuwe toorn zal rukken
En dn den gruwel doen gelukken,
Dien gij uzelf hebt opgeleid?
Of moeten nog verscheiden malen
Dat uw verderf te wisser zij
De wisselingen zich herhalen
Van machtloosheid en razernij?
Hem, dien gij loochent, is t bekend;
Geen sidderenden stervelingen,
Die u, in telkens nauwer kringen,
Zien wervlen naar t noodlottig end.

April 1871.

Ingezonden op: 19 July 2001