TIJDENS DEN OORLOG. 1870, 1871.

X.

AAN EEN GEWEZEN DICHTER.

De gruwelwereld is gekomen,
Die uw verbeelding heeft gestreeld,
De werklijkheid dier wilde droomen,
Door koortsig bloed in t brein geteeld.
De hel, waarin gij zijt gedoken
Om kleuren voor uw schilderij,
De gansche hel is losgebroken
En dankt u voor uw pozij.

De Thracer temde woudgedrochten
Door onweerstaanbaar citerslaan:
Gij lokt de monsters uit hun krochten
En moedigt ze in hun woestheid aan.
Afgrijslijk toonen ze ons de tanden
En brullend vliegen ze op den roof,
Met oogen, die van bloeddorst branden,
En ooren, als van de adder, doof.

O Dichter, geest van eedler orden,
Van hooger aandrift eens geblaakt,
Wat is er van uw volk geworden?
Wat hebt gij van uw volk gemaakt?
Ach, mannen zonder eer of waarde,
Ach, vrouwen zonder schaamte of tucht,
Zich wentlende in het slijk der aarde,
En azende op verboden vrucht!

Een jonglingschap, voor geestvervoering,
Voor t beste en hoogste doof en koel,
Onvatbaar voor de zachte ontroering
Van eedle liefde en rein gevoel;
Ontvlambaar sIechts voor spoorloosheden,
Voor weelden van t ontuchtig bed,
En met de heiligscherrnendste eeden
Verbonden tegen orde en wet!

Een ras van bandlooze onverlaten,
In liet en misdaad uitgeleerd,
Zijn gruwlen plegende op de straten,
En tegen God en mensch gekeerd.
Godloochnaars, moordnaars, moordnaressen,
Brandstichters vol van woede en haat,
De vrucht van de ingezogen lessen
U spuwende in t verschrikt gelaat.

Voorwaar, de goden zijn rechtvaardig;
De hand, die hen trotseert, verdort;
De zanger, rang en plaats onwaardig,
Wordt van zijn hoogte neergestort.
De geest is lang van u geweken;
De hemelgalm ontvluchtte uw lier;
Een snorkende onzin werd uw spreken,
Uw zang een krijschend straatgetier.

Gij houdt van vorsten, na de onttroning,
Uw smaad terug; t is welgedaan!
Ook zelf zijt ge een onttroonde koning,
Een star geworpen uit haar baan.
Schier onherkenbaar ligt gij neder,
Met wat van vroeger lauwren rest,
Bij t goud, gewoekerd door die veder,
Die smaak en zeden heeft verpest.

Geloof niet dat ge u op kunt heffen,
Iets doen, iets zijn kunt als weleer!
De vloek, die u de kruin moest treffen,
Duldt zelfs Keen schijn van grootheid meer.
Vergeefs den blik omhoog geslagen,
Ten heldren lichtkreits opgestaard!
Die aadlaar, die u heeft gedragen,
Is in een borstlig zwijn ontaard.

Mei 1870.

Ingezonden op: 19 July 2001