DE OPPERZALE.

     En als zij Ingek1>men waren, gingen zij op in de opperzaal, daar zij bleven, [namelijk] Petrus en Jacobus, en Johannes, en Andreas, Philippus en Thomas, Bartholomeus en Matthens, Jacobns Alphei [zone]. en Simon Zelótes, en Judas de broeder van Jacobus.
     Deze allen waren volhardende in ’t bidden en smeeken, met de vrouwen, en Maria de moeder van Jezus, en met zijne broederen.
HAND. I: 13, I4.

Een huivering van eerbied schokt mijn leden,
Als ik met mijn gepeis
Jeruzalem bereis,
En ’t waag’ stille Opperzaal, u in te treden.
Daar zitten zij terneer,
De vrienden van mijn Heer,
Zich sterkende in eendrachtige gebeden.

Mijn heilige verbeelding scherpt haar oogen,
Dat ze onderscheiden ziet.
Is dit die Petrus niet,
Die nu Zijn kudde weer zal weiden mogen?
En naast hem’ in dien kring,
Ons aller lieveling,
Die ’t hoofd op ’s Heilands borst had neergebogen. (*)

De ziel, „waar geen bedrog in werd gevonden,”
Spreekt’ dunkt mij, uit dit oog. (*)
Dáár zit hij, die zich boog
Naar ’t heilig merk van des Gekruisten wonden.(*)
Mij trekt de kruin vooral,
Die ’t eerste vallen zal
Om bloedend zijn geloofstrouw te verkonden. (*)

Ziehier, die ’t vroegst het Godslam zoo bescheiden
Navolgde waar hij trad,
En straks het voorrecht had,
Een broeder op dien goeden weg te leiden. (*)
Zie hier den Tollenaar,
Op de eerste roepstem klaar
Om lief en leed met Jezus te verbeiden. (*)

Toont niet dit oog, waarin de vonken gloren,
Van noô, bedwongen gloed Eens IJveraars gemoed? —
Ziedaar den mond’ die ongeloovige ooren
Genas door ’t „Kom en Zie!”
Ziedaar de lippen, die Het „Heer, toon ons den Vader!” deden hooren.

En ’t ongeduldig woord: „Wat mag het wezen,
Dat ge u aan ONS verklaart,
En geenszins openbaart
Aan al des werelds volken?” ’t kwam uit dezen.
Nooit hoorden wij de stem
Des broeders nevens hem;
Ook dien nochtans had Jezus uitgelezen.

Dit zijn zij; dit de mannen, zoo verscheiden
Van gaven, aard, en naam,
Gewaardigd al te zaam
Zijn godlijk Evangelie te verbreiden;
In Zijne school gekweekt
Tot martlaars — Een ontbreekt....
Helaas! waar is „de plaatse” des misleiden?

Gelooft gij nu, gij, Broederen des Heeren?
En voegt ge u in den kring,
Die van zijn Geest ontving,
Nadat ge op aard zijn aanschijn moest ontberen? —
O Moeder’ welk een feest
Der ziele! Hier geneest
De wond, die ’t zwaard u sloeg, niet af te keeren.

Hij voer ten hemel in, dien gij zaagt slachten
En die u van zijn kruis,
Den zoon wees, in wiens huis
En hart een plaats was voor de diepste klachten
Der moedersmart; maar nu!
De Zoons OMRINGEN u!
Dit overtreft gebeden en gedachten.

En met u zijn de Zustren; deze „Vrouwen?”
Haar liefde liet niet af,
Bij bloedig kruis noch graf.
Wat spelt mij hier het aanzijn dier getrouwen?
Dat Jezus zijne kerk
Ook door het stille werk
Der moeder- en der zusterhand zal bouwen.

O Kleine schaar in de Opperzale!
Vrede Zij u! — Voorspoedig zal
Uw honderdtwiutigtal
Zich verveelvuldigen bij de eerste schrede
Die gij daarbuiten zet! (*)
Volhard in smeekgebed!
Tien dagen, en de Heer verhoort uw bede.

Dan dalen al de krachten’ lichten, gaven
Des Geestes op u neer,
Ten teeken dat die Heer
Zijn heerlijkheid, door u, voor de aard wil staven.
Dan schijnt de groote zon;
Dan zal de volle bron,
Door uwen dienst, den dorst der volkren laven.


Ingezonden op: 19 July 2001