PRACHT.

’t Is alles prachtig wat men hoort of leest:
Een prachtig boek, lied, landschap, uitzicht, feest…
Wat altijd lief, bevallig, schilderachtig,
Door rein en eenvoud treffend
is geweest,
Het moet nu prachtig heeten, ’t minst en ’t meest.
’k Moet zeggen, al die pracht verveelt mij machtig.
En word. ik dan dat oude woord indachtig,
En spreek ik ’t uit, bescheiden, maar met kracht:
„Ik vraag u schoonheid, en gij geeft mij pracht”
Men roept van alle kant: „dat woord is prachtig!”


Ingezonden op: 19 July 2001