IN SCHOONMAAKSTIJD.

De man, die op den schoonmaak knort,
Heeft geen verstand, mevrouwen!
Hij doet uw schoonste deugd te kort;
Wat deed hij ooit te trouwen?
Voor mij, ’k vergrijp mij nooit zoo grof,
Maar zing uw lof,                            

                             Omringd van stof,
En denk het vol te houen.

Uw netheid doet ons tweemaal ’s jaars
Ter baaierd wederkeeren;
Al dunt dit haar bewonderaars,
Ik blijf uw moed vereeren.
„Tohoe wabohoe,’, hebt geduld!
Eer drie paar weken zijn vervuld,
Zie dan eens wat gij zeggen zult,
En wat u deert, mijnheeren!

Dan zien wij, na ’t verwoedst geklop,
Uit wolken stofs en stroomen
Van golvend vocht en schuimend sop,
Onze oude wereld weder op
En boven water komen.
’t Is alles helder als een glas;
Een frissche geur van kalk en was
Wordt overal vernomen.

En wat verscheurd is — is verscheurd,
Wat weggevaagd — gevlogen,
Wat afgekeurd is — afgekeurd,
Aan aller blik onttogen.
’t Vernieuwde… (Val niet! Deze mat
Is wel wat glad!…) Zal uw geluk en iet of wat
De nieuwjaarsschuld verhoogen.


Ingezonden op: 19 July 2001