TER GELEGENHEID VAN HET TAALCONGRES TE MIDDELBURG IN SEPTEMBER 1872.

III.

IN DE ORANJERIE VAN OVERDUlN

Dat de Overduinsche bloemhof bloei,
Zijn boomgaard rijke vrucht doe plukken,
Het kunsttrezoor er overvloei
Van altijd nieuwe meesterstukken,
Zijn Eigenaar aan ’t zilvren haar,
Op ’t hoofd zoo ongebogen,
Nog lang den gloed van ’t leven paar,
Dat tintelt in zijn oogen.

Dat aan zijn zij zijn Gade prijk,
Hem ’t levenspad blijf tooien,
Zijn Dochteren, aan gaven rijk,
’t Met bloemen overstrooien,
Zijn Zoons den naam van zijn geslacht
Met nieuwen luister kronen,
Door ’t zwaard, den tabberd’ en de kracht
Der kunst in ’t rijk der tonen.

Bij zoo veel keurigs, zoo veel schats,
Als reeds zijn hand en vlijt vergaarde,
Verhoog nog steeds „iets nieuws van Cats”
Van zijn verzameling de waarde;
Cats, hooge leeftijd, blijde moed
En hoop Op ’t beter leven,
Meer waard dan al des werelds goed,
Zij rijklijk hem gegeven!

Een dankbre „Afdeelings-president”
Wenscht dit den „Algemeenen,”
En al wat ademt hieromtrent
Moet in dien wensch vereenen.
„Lang en gelukkig leef de man”,
Roepe ieder duizend malen
„Die ons zoo goed regeeren kan
„En ons zoo gul onthalen!”


Ingezonden op: 19 July 2001