UW TIJD.

Wilt ge ooit iets goeds beginnen;
Uw tijd moet gij beminnen,
Uw tijd; een andren hebt gij niet.
De vorige verdwenen,
De aanstaande is niet verschenen;
Bemin het geen gij voor u ziet.

Vertwijflend aan het Heden,
Te leven in ’t Verleden,
Wat is het anders dan
Een schaduw te vergoden,
Den levenden te dooden
Voor d’ afgestorven man?

„De Toekomst”… Neen, mijn vrinden!
Daar is geen hoop te vinden
Dan waar men liefde vindt;
De moeder te verachten,
Is weinig goeds te wachten
Van ’t ongeboren kind.

„Mijn tijd heeft veel gebreken”…
Daar moogt gij tegen spreken;
Ik bid u, vlei hem niet.
Maar goeds kunt gij niet stichten
Zoo lang men, in uw richten,
Geen richter, maar een vijand ziet.

Wilt gij uw tijd bestieren,
’t Is beter dan hem vieren,
Hem volgen als zijn knecht;
Maar hartlijk moet gij wezen
En in uw oog doen lezen:
„Ik deed u gaarne recht.”

Beleedigend beklagen
Heeft niemand ooit doen slagen
Tot winning van ’t gemoed;
De scherpe hekelroede
Veroorzaakt leed of woede,
Maar doet den minsten harten goed.

Slechts hij mag alles zeggen,
Die in zijn toon kan leggen
Het harte van een man,
Door liefde altijd rechtvaardig,
Grootmoedig, edelaardig,
En die in alles komen kan.


Ingezonden op: 19 July 2001