DE WILG AAN EEN DICHTER.

Zie het dichtstukje getiteld „Wilgen,” in de „Kunstkronijik”; 1869. Afl. 3. bl. 9.

Wat maakt gij, in uw schoone zangen,
Waar aan ik willig hulde doe,
Mij uit, als deugde ik nergens toe,
Dan om uw harp aan op te hangen?

Schoei ik de voeten van den schamelen
Niet trouwen zorglijk met mijn hout?
Doe ’k, als mijn bloesem zich ontvouwt,
Geen overvloed van honig zamelen?

Want bloesems draag ik, talloos velen
En van de besten, die al vroelt,
(Al zijn ze „een maagd” niet mooi genoeg),
 Den smaak der jonge bijen streelen.

Beschermen mijn gevlochten twijgen,
Al steun ik tempeldak noch wand,
Niet heel een dierbaar vaderland,
Wanneer de felle waatren stijgen.

Een loflijke eik schaff’, boôm en duigen,
Tot berging van een kostbaar nat;
Maar mijne hoepels vormen ’t vat
Zoo nuttig zijn ze, die zich buigen.

En schoon ik zaag noch schaaf verdrage,
De draaibank noch den vuurhaard dien,
Toch wil ik van een Dichter zien
Dat hij van mij met lof gewage.

Of is MIJN houtskool niet de beste?
(Getuig, vermeld het Kunstkronijk!)
Waard dat een Rubens. een van Dijk
Daarmeê zijn meesterstukken schetste?


Ingezonden op: 19 July 2001