TWEE ZUSJES.

De eene een bruintje, de andre een blondje,
Oogjes blauw, en oogjes zwart;
Maar een zelfde stem in ’t mondje,
Rechtstreeks gaande tot het hart,
Zacht ontroerend,
Stil vervoerend,
Stem die onweerstaanbaar is,
Moeders kostlijke erfenis.

Wie van dezen zal het wezen,
Die het eerst een man belezen,
’t Wiegeliedje zingen zal,
Bruintje of blondje aan ’t harte klemmen,
En een kinderkeeltje stemn1en
Ook zoo lief en liefgetal’?


Ingezonden op: 19 July 2001