GULDEN BRUIDSPAAR.

Vijftig jaar vereend,
Lief en leed gedragen;
Dikwijls veel geweend,
Zonder veel te klagen;
Dikwijls veel gesmaakt
Van des Heeren goedheid;
Over ’t hart gewaakt
Bij ’t genot dier zoetheid;
En bij bittre togen
Ook den troost gekend.
Die zich uit den Hoogen
Tot de harten wendt.
De echtgenoot nog krachtig
En vol levensmoed;
Schoon nabij de tachtig
Nog vol geest en gloed;
’t Vrouwtje wat zwakker,
Maar, hoe slecht gesteld,
Levendig en wakker
Waar het liefde geldt,
Liefde voor haar gade,
Liefde voor haar kroost
Dat zij Gods genade,
Opdraagt onverpoosd.
„Blijft nog wat verbonden,
„Wordt nog lang gespaard!”
Roepen hart en monden,
„Want gij zijt het waard!”
Maar Gij buigt ootmoedig
’t Hoofd, en schikt u stil
(Koom hij spade of spoedig)
Naar des Heeren wil.


Ingezonden op: 19 July 2001