DRIEňNZESTIGSTE VERJAARDAG.

Voor drieŽnzestig jaar geduld,
Voor drieŽnzestig jaar genade,
Een maat met weldaan hoog gevuld,
Een levenspad, dat ge overlaadde
Met bloemen, waaraan niets ontbrak,
En waar, zoo mij een doren stak,
De balsem vloeide naast de wonde;
Voor kracht bij vreugd en troost bij smart,
Voor zoo veel goeds bij zoo veel zonde,
Dankt u, o God! mijn kloppend hart.

Nog klopt het; ja voor gade en kind,
Voor kroost en kleinkroost mij geboren;
Voor menig bijgebleven vrind,
Na velen, door den dood verloren;
Voor ít werk, waarin ik dag aan dag
U naar vermogen dienen mag,
Voor ít Goede en Schoone, waar ik ít vinde,
O God! nog met denzelfden gloed
Waarmee mijn ziele ít vroeg beminde,
En immers eeuwig minnen moet?

ík Ben jong geweest; ík ben oud geworden,
Maar voor veroudren nog bewaard;
Wat boom en om mij been verdorden,
Ik voel mij sap en merg gespaard.
Waartoe, o Heer van dood en leven?
Dan om een weinig vrucht te geven,
Een weinig lommer, laat als vroeg;
Totdat uw bijl wordt opgeheven
En ít woord gesproken: ĄLang genoeg.Ē

Nassau. a/L..
13 Sept. 1877.

Ingezonden op: 19 July 2001