ALTIORA CONTRA HUMANIORA.

De dichters hebben kwaad gedaan,
En elk vangt aan
Hen te betichten.
Ze onthaalden ons op enkel waan
In hun gedichten.
Zij zouden, liet men hen begaan.
’t Gezond verstand te gronde richten.
En met hun malle, murwe maan
De kaarsen met verdooving slaan,
Die ons verlichten,
Wij denken ’t anders te verstaan.
Zie maar dien jongen knaap eens aan
Dien wij verplichten
Den weg der wijsheid in te slaan,
Ter hooger burgerschool te gaan
En nut te stichten.

Hij heeft van poëzie geen last;
Zie maar die oogen;
Dien wipneus, daar een bril op past
Van sterk vermogen;
Die dikke lippen, pas omvlast
Met pluis bij pluisje;
Dien kop, als een lokettenkast
Met wetenschappen volgetast,
Elk in een huisje
Van ’t brein, dat nimmer viert of vast.
Maar onophoudelijk gaat te gast
Op worteltrekkingen en brast
Aan kegelsneden,
Nooit door een inval wordt verrast,
En nooit blijft zitten voor den mast
Der hoogste reden;
Die borst, die in de examens plagt
En steeds blijft zwellen,
Die als een rijzend wonder wast (*)
Tot elks ontstellen! —
Zoo hier de vraag wordt ingelascht:
„Wat zal er worden van dien kwast?”
Wie kan ’t voorspellen?
Een „hooger burger” is ’t alvast.


Ingezonden op: 19 July 2001