TER BEGRAAFPLAATS.

’t Is soms of het Leven de Dooden bespot.
Wij brengen de ontslaapnen ten Akker van God:
Wij zwijgen eerbiedig, wij fluisteren zacht;
Het offer der tranen wordt snikkend gebracht: 
Wij wagen een troostwoord, een ernstig vermaan;
Wij wijzen ten hemel… Op eens kraait een haan;
Een hond komt geloopen en breekt door de rij;
Een snorrende spoortrein druischt gillend voorbij,
En spreekt in dien wanklank het haastige woord:
„Het leven heeft haast; staat niet stil; spoedt u voort!
Spoedt u voort — tot uw werk — tot uw zaak — tot uw taak;
Onze tijd heeft slechts tijd voor gewin of vermaak.
Staat niet stil bij de graven, niet stil bij uw smart;
Staat niet stil bij den hemel, niet stil bij uw hart!
Eens was ’t leven een scheepsreis, een reis langs de kust,
Met een lieflijken droom van een haven der rust;
Nu, een reis met den sneltrein, steeds verder, steeds voort,
Tot de stoomketel springt of de wagen ontspoort.”
 
Ingezonden op: 19 July 2001